Patientbespreking
Katje Nino
Het gezegde dat katten negen levens hebben, gaat zeker op voor het katje uit het nu volgende verhaal.
Op een ochtend kom ik in de kliniek, waar ik in de opnameruimte Cathy, de dierenarts, en Bianca, mijn collega-assistente aantref. Ze staan gebogen over een grote bench met daarin een… Ik moet goed kijken om te kunnen zien wie zich daar tussen alle dekentjes bevindt. Het is een piepklein katje. Het diertje ziet er zwak uit en ik voel direct een grote zorg voor hem.
Ook mijn collega’s maken zich zorgen. Het katje is bij ons op het spreekuur aangeboden, door de eigenaar waar het geboren is. Naar verluid hebben andere mensen (de nieuwe eigenaren) het katje proberen te ontvlooien met een vlooienband.
Helaas zijn vlooienbanden in veel gevallen niet meer werkzaam tegen vlooien. Voor kittens zijn ze zelfs ronduit gevaarlijk, omdat zij er nog te jong voor zijn. Het kleine kitten werd heel ziek van de band. Hij kreeg epileptische insulten en werd weer teruggebracht naar de oude eigenaar, die hem ernstig verzwakt naar ons toe bracht.
Als het acht weken oude kitten op het spreekuur komt, is het helemaal slap en bij onderzoek blijkt het een, niet te meten, lage lichaamstemperatuur te hebben. Hij krijgt een warm bed met kruiken en een warmtemat om zijn lichaamstemperatuur weer te doen stijgen. Ook dient de dierenarts vocht toe middels een infuusje onder de huid en wordt hem met een spuitje wat eten gegeven.

De kans dat hij deze crisis zal overleven is echter zeer gering. Maar meer dan afwachten en regelmatig temperaturen kunnen de dierenartsen op dit moment niet doen.
Tot onze grote vreugde blijkt het kitten in de daarop volgende uren ietsje op te monteren. Hij is minder slap en zijn temperatuur is bijna normaal. Toch is zijn strijd nog niet voorbij, het blijft een klein hoopje. De oogjes staan nog niet helder en we moeten hem bij al zijn levenbehoeften helpen.
Die avond besluit ik dat het de moeite waard is het kleine patiëntje mee naar huis te nemen, zodat ik hem ook gedurende de avond en nacht kan verzorgen. Dat betekent een paar doorwaakte nachten, maar dat is in dezen geen straf.
Thuis installeer ik hem lekker warm in een kleine bench en ga natuurlijk regelmatig bij hem kijken. Om de twee uur krijgt hij wat eten en als ik het spuitje maar naar hem toe beweeg, slaat hij zijn kleine klauwtjes er om heen en schrokt de inhoud naar binnen. Hij heeft honger en dat is een goed teken!
Dan op de kattenbak. Het is een aandoenlijk gezicht: zo’n piepklein katje op een immense kattenbak. Hij is nog zo zwak dat ik hem vaak overeind moet houden, anders kukelt hij in het grit.
In de dagen die volgen rijst de vraag: wat heeft dit beestje overgehouden aan de epileptische aanvallen? In hoeverre heeft dit hersenschade toegebracht en hoe gaat hij zich verder ontwikkelen? Toch kan ik vaststellen dat het katje langzaam maar zeker vorderingen maakt. Op de ochtend van de derde dag zit hij rechtop in zijn bed om eten te roepen. Inmiddels kan hij ook zelf naar de kattenbak en het is echt een koddig gezicht hoe hij ijverig zijn eigen drolletjes probeert te begraven. Het grit vliegt alle kanten op, behalve daar waar het echt heen moet.
Hij is nu ook sterk genoeg om zelf uit een bakje te eten, dus geen ontbijt op bed meer!
Ik knuffel hem heel vaak en spelen doen we af en toe ook, maar heel kort. Dan is het weer tijd om te slapen.
Over één ding maak ik me echter nog zorgen: ik heb hem nog niet horen spinnen….

Inmiddels heeft zich een potentiële nieuwe eigenaar aangediend. Daar ben ik heel blij om, want bij mij kan de patiënt niet blijven wonen. Mijn eigen twee poezen raken namelijk vrij gestressed van de nieuweling.
Rufus is een goede vriend van ons en, zover ik hem ken, iemand die katten echt begrijpt. Hij speelt al geruime tijd met de gedachte een kitten in huis te nemen en hoort het verhaal over onze kleine hoofdrolspeler. Ik vertel hem wel dat het katje nog erg zwak is en we niet weten of het zich wel als een gezonde kat gaat onwikkelen. Hiermee probeer ik hem een beetje te ontmoedigen om te zien of hij het kitten echt wil.
“Dat weet je bij andere katten ook niet,” zegt Rufus daarop. En dat is precies het goede antwoord. Wat mij betreft is hij de nieuwe eigenaar.
Als ik op vrijdagochtend naar mijn patiëntje ga, zit hij door zijn traliehekje naar me te kijken. Hij oogt tevreden en ik haal hem uit de bench. Ik praat gezellig tegen hem terwijl ik hem knuffel en dan hoor ik waar ik al die dagen op heb gewacht: hij is zachtjes aan het spinnen.
Nu hij ontdekt heeft hoe spinnen in zijn werk gaat, lijkt hij er niet meer mee te kunnen stoppen. Bij de minste of geringste knuffel gaat het motortje aan en ook bij het spelen en eten is hij hemels tevreden aan het knorren.
Dan komt de grote dag dat Rufus en het katje elkaar gaan ontmoeten. Zachtjes maakt Rufus het benchdeurtje open om hem niet aan het schrikken te maken, maar van angst is hier geen sprake. Roetsh! Het kitten zit al op Rufus’ schouder en vanaf dat moment zijn de twee onafscheidelijk.
Rufus heeft een lijst met namen gemaakt en twee daarvan springen eruit: “Nino”, wat “jongetje” betekent, en “Mori”, het Japanse woord voor “woud”. Niemand kan kiezen, dus gaat het kleintje Nino Mori heten, kortweg Nino.
Een paar dagen later wordt Nino door zijn nieuwe eigenaar opgehaald. Dat werd tijd want hij is hard toe aan een vaste stek waar hij alle ruimte voor zich heeft. Hij is die bench helemaal zat en het heen en weer reizen naar de kliniek (ik nam hem overdag steeds mee) ook.
Nino en Rufus zijn nu dikke vrienden. Ik krijg regelmatig een “Nino-update” en hij ontwikkelt zich tot nu toe als een heel normaal, blij katje. Voor zover we nu kunnen beoordelen heeft hij aan zijn hachelijke avontuur geen restverschijnselen overgehouden.
(©Fieke Prins-Halberstadt, september 2011)